Eduard van Beinum

,

Arnhemmer en chef dirigent van het (nu Koninklijk) Amsterdams Concertgebouworkest

Eduard Alexander van Beinum, geboren op 3 september 1900, woonde in Arnhem op de Schutterstraat 5 in de wijk Klarendal. Tijdens zijn lagere schooljaren woonde de familie Van Beinum aan de Sloetstraat 26 en tijdens zijn middelbare schooljaren aan de Spijkerstraat 215, dichtbij het Concertgebouw Musis Sacrum. Van zijn middelbare schooljaren (HBS) is weinig bekend. Eduard hield van geschiedenis, maar het draaide bij Eduard om de muziek, hij was een natuurtalent.

Eduard was afkomstig uit een zeer muzikale familie. Zijn opa was dirigent geweest van een militaire kapel en zijn vader speelde contrabas bij de Arnhemsche Orkestvereniging (voorloper van het Gelders Orkest). Eduard leerde viool en altviool spelen van zijn negen jaar oudere broer Co. Pianospelen leerde hij van zijn muziekdocent Frans Hillen. Samen met Co vormde Eduard een viool-pianoduo. Hij speelde al op zijn zestiende altviool bij de Arnhemsche Orkestvereniging.
Van huis uit rolde hij als het ware de muziek in. Zijn ‘netwerk’ bestond uit musici en door oefening en musiceren in de directe omgeving deed hij veel ervaring op. Hij studeerde weinig.
Vader en broer Co stimuleerden Eduard tot een professionele muziekopleiding. Hij werd toegelaten tot het Amsterdams Conservatorium en studeerde daar piano. In 1923 slaagde hij glansrijk voor die opleiding. Al gedurende zijn studie dirigeerde Eduard diverse koren en orkesten in onder meer Amsterdam (Nicolaaskerk), Schiedam en Zutphen en kon zodoende in zijn levensonderhoud voorzien.

In die jaren leerde hij zijn latere echtgenote Sepha Jansen kennen, die als violiste begonnen was in het Concertgebouworkest  Amsterdam, en die later een eigen solocarrière begon. Eduard begeleidde Sepha als pianist en zij gaven ook gezamenlijk concerten.
In 1927 kreeg hij een vaste aanstelling als dirigent van de Haarlemsche Orkest Vereniging, hij stopte met zijn activiteiten in Schiedam en Zutphen en trouwde met Sepha. Het echtpaar kreeg twee zonen.

In zijn Haarlemse tijd wist Van Beinum het orkest in technisch opzicht naar een hoger plan te brengen. Het repertoire werd uitgebreid met barokmuziek, werk van Nederlandse componisten (Andriessen, Pijper) en Franse romantische muziek (Berlioz, Debussy, Ravel). Tijdens zijn periode in Haarlem werd hij enkele keren uitgenodigd als gastdirigent door het Amsterdams Concertgebouworkest, waar Willem Mengelberg de eerste dirigent was. Pierre Montreux was tweede eerste dirigent en Cornelis Dopper tweede dirigent. Toen Dopper in 1931 vertrok werd Van Beinum tweede dirigent van het orkest en vertrok hij uit Haarlem.

De eerste dirigent Willem Mengelberg was een dominant persoon met een groot ego. Van Beinum daarentegen was tegenovergesteld aan Mengelberg: sociaal, hartelijk, collegiaal en nederig. De orkestleden vonden Van Beinum (die overigens altijd zonder stokje dirigeerde) een verademing en droegen hem op handen.
Zijn ‘Haarlems repertoire’ werd in Amsterdam uitgebreid met o.a. de Weense klassieken en Bruckner. Dat was ten opzichte van de muzikale voorkeuren van Montreux (Franse Muziek) en Mengelberg (Mahler, Richard Strauss en de grote romantici) een aanvulling c.q. een verandering.
Dankzij de initiatieven van de orkestmusici werd Van Beinum in januari 1938 benoemd tot vaste eerste dirigent van het Concertgebouworkest naast Willem Mengelberg.

Foto: Amsterdams Concertgebouw

Woonachtig in Amsterdam (nabij het Vondelpark) bleef hij steeds weer terug verlangen naar Gelderland en de Veluwe. Hij kwam regelmatig terug naar zijn familie in Arnhem en naar Garderen, waar hij een huis bezat. In Garderen op de Veluwe kon Eduard bijkomen en ontspannen.

Na de Tweede Wereldoorlog moest Willem Mengelberg opstappen bij het Concertgebouworkest vanwege zijn Duitse gezindheid gedurende de oorlogsjaren en werd Eduard echt de eerste (chef)dirigent en boegbeeld van het Concertgebouworkest. Hij was het die het door de oorlog en naoorlogse omstandigheden gehavende orkest weer moest opbouwen en allure moest geven. Dit kostte veel energie en dat ging ook ten koste van zijn gezondheid. Hij was een verstokt roker en leed sinds 1950 aan een hartkwaal.

Eduard werd een dirigent van internationale allure. Naast het Concertgebouworkest was hij van 1949 tot 1952 voor vijf maanden per jaar eerste dirigent van het London Philharmonic Orchestra. Hij trad, met zijn Amsterdams orkest, vaak in het buitenland op. Zo maakten ze een tournee in 1952 door de Verenigde Staten en was hij gastdirigent in Italië, Brazilië, Argentinië, de VS en Canada.  Van 1956 tot 1959 was hij verbonden aan het Los Angeles Orchestra. Daarnaast werd zijn werk vastgelegd op verschillende langspeelplaten (vinyl).
Hij kreeg vele nationale  en internationale onderscheidingen, en eredoctoraten werden hem toegekend. Kortom, een man met internationale status; maar toch sociaal, hartelijk en collegiaal.

Zijn zwakke gezondheid bleef hem parten spelen en hij werd door medicijnen op de been gehouden. Op 13 april 1959, tijdens een repetitie met het Concertgebouworkest, overleed Van Beinum plotseling. Hij stierf in het harnas, 58 jaar oud.

Hij werd bij het Amsterdams Concertgebouworkest opgevolgd door Bernard Haitink.