Stadsrechten

Op 13 juli 1233 kreeg de nederzetting stadsrechten van graaf Otto II van Gelre, de graaf van Zutphen. Arnhem had in de 13e eeuw 2000 tot 3000 inwoners, die binnen de vestingwallen van de huidige binnenstad woonden. Hoewel Arnhem al voor de stadsrechtsverlening een vorm van verdediging had, groeide deze in 1291 uit tot stadsmuur, die in 1505, 1519 en 1533 werd uitgebreid om ten slotte in de 19e eeuw te worden afgebroken. De stad Arnhem was daarmee de eerste vestingstad van het Koninkrijk die haar muren mocht slechten.

Stadsrechten Arnhem 1233 - Arnhem2Day

Oorkonde stadsrechten Arnhem 1233


In naam van de heilige en ongedeelde Drie-eenheid. Amen.
Otto, graaf van Gelre en Zutphen, aan alle lezers van deze oorkonde, gegroet en vrede in eeuwigheid.
Derhalve breng ik ter kennis van alle mensen van nu en later, dat ik, Otto, graaf van Gelre en Zutphen, …
Van de versterkte plaats Arnhem een stad heb gemaakt en daaraan alle vrijheid heb verleend met het geheel van goederen, opdat deze stad en de mensen die erin wonen en erin zullen wonen zich in een zelfde vrijheid mogen verheugen als de meest vrije stad, namelijk onze stad Zutphen, geniet, en opdat ik in die stad geen enkele belasting doe (heffen) buiten de wil van de burgers om.
Ook stel ik in, dat deze stad bestuurd moet worden door een raad van twaalf schepenen die daar gekozen moeten worden, zodat als er in de stad zaken niet geregeld zouden zijn, die behandeld en tot normale staat hersteld zouden worden volgens hun rijp beraad, en om in de stad alles te doen volgens het recht en de goede gewoonte van de stad Zutphen. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gerecht, waarvan mijn richter de opbrengst int zoals vroeger. Maar deze richter zal vonnis wijzen volgens de uitspraak en de raad van de schepenen.
Bovendien wil ik, dat geen enkele in die stad wonende burger binnen de grenzen van mijn graafschap en mijn land tot een gerechtelijk duel kan worden gedaagd, ja zelfs dat in een actie tegen hem de eiser zich moet wenden tot richter en schepenen van Arnhem, opdat zij over het geschil dat voor hen is gebracht een oordeel vellen en de kwestie afhandelen met de verschuldigde boete.
En opdat noch door mij, noch door iemand van mijn erfgenamen de herinnering aan het nu verrichte en de gratie van een dergelijk beneficie zal worden vergeten, hebben wij (deze verlening) bekrachtigd door mijn eed op heilige relikwieën met mijn edelen en ministerialen

En deze oorkonde heb ik door mijn opgedrukt zegel doen bekrachtigen.

Bovenstaande tekst, de stadsrechtverlening uit 1233, volgens een 16e eeuwse kopie in de vertaling van C.L. Verkerk komt uit: Borman, R. (1993). Arnhem onder de grond. Bewoningsgeschiedenis van stad en omgeving.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. p. 53.